9.7 / 10 90 reviews 

Werkgever kan vaststellingsovereenkomst niet zo laat herroepen

4 NEWS_READING_TIME_ADD

Terug

Wat is de situatie?

De werkneemster is met ingang van 1 juli 2020 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van de werkgever. In de arbeidsovereenkomst is een opzegtermijn van één maand overeengekomen. Tussen partijen hebben gesprekken plaatsgevonden met betrekking tot een vaststellingsovereenkomst (VSO) op grond waarvan het dienstverband van werkneemster met de werkgever per 1 januari 2021 zou eindigen.

Sinds medio november 2020 is werkneemster arbeidsongeschikt gemeld. De werkgever heeft werkneemster via haar laatste salarisspecificatie over de maand december 2020 een bedrag van netto € 4.657 ingehouden op haar salaris (€ 4.050 aan schadevergoeding, € 107 aan bekeuring en € 500 aan schade leaseauto).

Verzoek werkgever

De werkgever verzoekt de kantonrechter:

  • het verzoek direct toe te wijzen dan wel een datum en tijdstip voor de mondelinge behandeling van het verzoekschrift te bepalen;
  • werkneemster te veroordelen aan de werkgever te betalen een vergoeding ter hoogte van € 4.050,- bruto te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
  • werkneemster te veroordelen tot betaling van de schade aan de leaseauto zijnde € 500, - en de bekeuring gereden met de leaseauto zijnde € 107,-;
  • tot betaling van de kosten van de procedure, daarin begrepen het salaris van gemachtigde van de werkgever.

Aan het verzoek legt de werkgever ten grondslag werkneemster de arbeidsovereenkomst tussen partijen zonder inachtneming van de opzegtermijn van een maand heeft opgezegd als gevolg waarvan zij de forfaitaire schadevergoeding van artikel 7:672 lid 11 BW aan de werkgever verschuldigd is.

Verweer werkneemster

Werkneemster verweert zich tegen het verzoek van de werkgever. Zij stelt dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan het dienstverband tussen partijen met wederzijds goedvinden per 1 januari 2021 is geëindigd. Als gevolg daarvan kan geen sprake zijn van enige forfaitaire schadevergoeding aan de werkgever.

Oordeel kantonrechter

In feite is de vraag of een VSO tussen partijen tot stand is gekomen het enige geschilpunt tussen partijen. Voor de beantwoording van die vraag neemt de kantonrechter als uitgangspunt dat artikel 7:670b lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, slechts geldig is indien deze schriftelijk is aangegaan. In elk geval staat vast dat tussen partijen in de periode oktober tot en met december 2020 verschillende versies van een VSO zijn gewisseld, maar dat dat niet heeft geleid tot een versie van een VSO die door beide partijen is ondertekend. Het voorgaande neemt echter niet weg dat uit alle overgelegde stukken blijkt dat partijen in hun discussies over het einde van het dienstverband van werkneemster steeds van een beëindiging van het dienstverband, eerst per 1 december 2020, maar later per 1 januari 2021 zijn uitgegaan.

Afspraken ontkend of herroepen

De gemachtigde van werkneemster heeft op 4 december 2020 per e-mail een zestal nog openstaande punten onder de aandacht van de werkgever gebracht. Op 14 december 2020 heeft de gemachtigde bij de werkgever gerappelleerd, omdat een reactie van de zijde van de werkgever uitbleef. Vervolgens heeft de gemachtigde op 23 december 2020 nogmaals gerappelleerd, met het verzoek binnen twee dagen te verklaren of de werkgever bereid was de gemaakte afspraken gestand te doen. Bij e-mail van 28 december 2020 heeft een betrokkene namens de werkgever in feite alle gemaakte afspraken ontkend of herroepen, zelfs die afspraken, waarover na het toezenden van de concept-VSO op 30 november 2020 geen discussie meer leek te zijn.

Eisen van goed werkgeverschap

Volgens de kantonrechter heeft de werkgever daarmee in strijd gehandeld met de eisen van goed werkgeverschap. Het was de werkgever bekend dat werkneemster sinds medio november 2020 (situationeel) arbeidsongeschikt was en dat een en ander verband hield met de gang van zaken rondom de totstandkoming van de VSO.

Te veel op scherp gezet

Door te elfder ure alle onderwerpen, waarover overeenstemming leek te zijn, althans waarover van de kant van de werkgever niet eerder was opgekomen, te herroepen en bovendien bezwaar te maken tegen een einde van het dienstverband per 1 januari 2021 door het rappel van 23 december 2020 te bestempelen als een (onregelmatige) opzegging en een beroep te doen op de forfaitaire schadevergoeding, heeft de werkgever de situatie bewust te veel op scherp gezet. Want de werkgever verliest daarbij ook volledig uit het oog dat in het geval van regelmatige opzegging door werkneemster per 1 februari 2021 (met inachtneming van de opzegtermijn van één maand), hij nog gehouden zou zijn ziekengeld over de maand januari 2021 te betalen.

Drie dagen voor einde dienstverband

Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever in een zo laat stadium, drie dagen voor het einde van het jaar en dus drie dagen voor het einde van het dienstverband, en na een stilzwijgen van drie weken, waarin alle gelegenheid is geweest om de in de e-mail van de gemachtigde van 4 december 2020 genoemde (rest)punten verder te bespreken en uit te werken, niet de totale deal op losse schroeven kon zetten, zeker niet nu het initiatief tot de beëindiging van het dienstverband tenminste deels ook van de werkgever was uitgegaan.

Geen onregelmatige opzegging

In het licht van artikel 7:670b lid 1 BW is de kantonrechter van oordeel dat door het toezenden van een concept-VSO op 30 november 2020, waarin wordt uitgegaan van een einde van het dienstverband per 1 januari 2020 voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste, de reactie van de werkgever op 28 december 2020 zodanig laat en zodanig in strijd met de beginselen van goed werkgeverschap was, dat hij niet meer een einde van het dienstverband per 1 januari 2021 volledig kon herroepen. Van een onregelmatige opzegging was dan ook geen sprake en het verzoek van de werkgever tot veroordeling tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding wijst de kantonrechter af.

Bekeuring leaseauto

De nevenverzoeken van de werkgever tot vergoeding van de schade aan de leaseauto van € 1.000,- en een bekeuring van € 107,- wijst de kantonrechter slechts ten aanzien van de bekeuring toe. In de procedure heeft werkneemster niet betwist dat zij de bekeuring nog zou moeten vergoeden aan de werkgever. Het verzoek tot vergoeding van tweemaal het eigen risico van € 500,- wordt echter  afgewezen. Als de leaseauto al met schade zou zijn ingeleverd, had het op de weg van de werkgever gelegen om werkneemster daarover met enige onderbouwing van de schade en de daarmee gepaard gaande kosten te informeren. Daarvan is niet gebleken, zodat de kantonrechter dat verzoek van de werkgever als onvoldoende onderbouwd afwijst.

ECLI:NL:RBDHA:2021:11870

Heeft u een vraag over dit onderwerp of een andere arbeidsrechtelijke vraag/ontslagkwestie, neem dan contact op met onze arbeidsrechtjuristen voor een vrijblijvend en gratis intakegesprek, of stuur een e-mail naar info@ontslag-center.nl of bel naar ons kantoor op nummer 043 - 720 09 20. 

Publicatiedatum 04/01/2022