4 NEWS_READING_TIME_ADD
Een vrouw werkt sinds 2015 als burger bij het Ministerie van Defensie in een aanstelling van 38 uur per week. Zij heeft vanaf 2 december 2019 tot en met 12 september 2021 ouderschapsverlof genoten van 5,3 uur per week. Daarnaast heeft de vrouw in voormelde periode 5,4 uren per week aan roostervrije uren genoten (variant vermindering contracturen). Zij werkte in die periode dus (feitelijk) 27,3 uur per week.
Voor het ouderschapsverlof heeft de vrouw een (formeel) rekest ingediend dat is goedgekeurd en verwerkt. Voor de opname van de roostervrije uren (vermindering van de contracturen van 38 uur per week naar 32,6 uur per week) heeft de vrouw toen geen (formeel) rekest ingediend.
De vrouw heeft medio 2021 verzocht om na haar periode van ouderschapsverlof haar arbeidstijd van 27,3 uur per week te behouden. De staatssecretaris heeft toen onderzoek gedaan, waarna is gebleken dat de opname van de roostervrije uren per 2 december 2019, bij gebrek aan een (formeel) rekest daartoe, niet is doorgevoerd in de salarisadministratie.
Pas op 18 oktober 2021 heeft de vrouw met terugwerkende kracht tot 2 december 2019 een rekest voor die 5,4 roostervrije uren per week ingediend, wat vervolgens is goedgekeurd en verwerkt.
De vrouw heeft een salarisstrook van 15 februari 2022 ontvangen, waarop een vordering is vermeld van €9.576,67 aan teveel ontvangen salaris. Met een besluit van 23 februari 2022 is aan de vrouw meegedeeld dat dit bedrag wordt teruggevorderd. Tegen deze terugvordering heeft de vrouw bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 3 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van de vrouw gericht tegen de hoogte van het bedrag van de terugvordering gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat aan de vrouw in de periode van 2 december 2019 tot 12 september 2021 ten onrechte 5,4 uren per week aan salaris is uitbetaald omdat zij die uren niet gewerkt heeft.
Dat aan de vrouw te veel salaris is betaald, had haar ook duidelijk kunnen zijn. De staatssecretaris is daarom bevoegd om het onverschuldigd betaalde salaris terug te vorderen, het onverschuldigd betaalde salaris over de maanden december 2019 en januari 2020 uitgezonderd. De terugvordering is daarmee beperkt tot een termijn van twee jaar na uitbetaling van het onverschuldigd betaalde salaris.
De staatssecretaris heeft de vordering deels verrekend met het salaris van de vrouw. Op het salaris over februari 2022 is een bedrag in mindering gebracht tot de beslagvrije voet. Na inhoudingen in de maanden maart 2022 tot en met juli 2022, resteerde nog een bedrag van € 3.176,89. Voor dit bedrag heeft de vrouw tot 1 augustus 2023 uitstel van betaling gekregen. Dit bedrag heeft de vrouw inmiddels betaald.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe is het volgende overwogen. De vrouw heeft een beroep gedaan op de ‘zes-maandenjurisprudentie’ en verwezen naar een e-mail van 7 januari 2020.
Volgens het oordeel van de rechtbank is de e-mail van 7 januari 2020 niet een voldoende concreet signaal van de vrouw dat zij te veel salaris ontving vanwege het niet juist verwerken van haar roostervrije uren.
De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld door niet binnen zes maanden na voormelde e-mail het onverschuldigd betaalde salaris terug te vorderen.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het beroep van de vrouw op de zesmaandenjurisprudentie niet slaagt. De e-mail van 7 januari 2020 kan niet worden beschouwd als een voor de toepassing van deze rechtspraak relevant signaal.
In die e-mail vraagt de vrouw na of alles voor haar roostervrije uren en ouderschapsverlof is geregeld en merkt zij op dat ze op dat moment nog haar volledige salaris en vakantiedagen krijgt en dat ze aanneemt dat dit nog aangepast gaat worden.
Niet in geschil is dat er ten tijde van de email van 7 januari 2020 nog geen formeel rekest lag met betrekking tot de roostervrije uren. de vrouw had kunnen en moeten weten dat zo’n rekest wel noodzakelijk was om een vermindering van haar roostervrije uren te bewerkstelligen.
Door het ontbreken ervan was de vraag van de vrouw of alles voor – onder meer – haar roostervrije uren geregeld was prematuur. Tegen deze achtergrond kan de e-mail van 7 januari 2020 niet worden aangemerkt als een voldoende concreet signaal dat te veel salaris werd verstrekt vanwege het niet of onjuist verwerken van de opname van de roostervrije uren.
Het standpunt van de vrouw dat de bevoegdheid om het teveel betaalde salaris terug te vorderen, is beperkt tot zes maanden ná 7 januari 2020 kan daarom niet worden gevolgd.
Gelet op de voorafgaande e-mailwisseling tussen de vrouw en het bedrijfsbureau had deze mail betrekking op het rekestformulier met betrekking tot het ouderschapsverlof. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit deze e-mail niet kan worden afgeleid dat de staatssecretaris geen gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om eventueel te veel betaald salaris vanwege de roostervrije uren terug te vorderen.
De onverschuldigde betaling is in feite ontstaan doordat de vrouw al minder is gaan werken en uitvoering heeft gegeven aan de door haar gewenste vermindering van roostervrije uren per 2 december 2019, terwijl zij daarvoor nog geen formele toestemming van het bevoegde gezag had.
Toestemming wordt verkregen door een ingevuld rekestformulier te laten ondertekenen door de leidinggevende en de commandant. De vrouw heeft een dergelijk ondertekend rekestformulier destijds niet ingediend.
Daarnaast heeft de vrouw ter zitting verklaard dat zij in januari 2020 van kazerne is gewisseld en de opname van de roostervrije uren niet met haar nieuwe leidinggevende heeft besproken. Pas ná de betreffende periode waarin zij minder uren heeft gewerkt, heeft de vrouw met terugwerkende kracht de toestemming hiervoor van het bevoegd gezag verkregen. Van de kant van de staatssecretaris is dus geen sprake geweest van een administratieve fout of onjuiste verwerking van een goedgekeurde aanvraag.
Ook is niet gebleken dat de staatssecretaris heel lang heeft gewacht met de terugvordering en verrekening, nadat er ontdekt was dat aan de vrouw te veel salaris was betaald vanwege de minder gewerkte uren. In wat de vrouw heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Van een schrijnende financiële situatie op grond waarvan afgezien had moeten worden van de verrekening is niet gebleken. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het bestreden besluit onredelijk bezwarend is.
Uitspraak Centrale Raad van Beroep, 22 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:118