9.7 / 10 183 reviews 

Ontbinding arbeidsovereenkomst inbreuk op vrijheid van meningsuiting (bron: De Haan Advocaten)

2 NEWS_READING_TIME_ADD

Terug

Een werkneemster is sinds 2009 werkzaam als docente bij het ROC Nijmegen. In 2018 kondigde zij aan dat ze een boek wilde gaan schrijven over haar ervaringen met gepersonaliseerd onderwijs. In eerste instantie stond het ROC hier positief tegenover. Eind 2019 verscheen het boek.

Naar aanleiding daarvan klaagden verschillende collega’s uit het team van de werkneemster bij de directeur over de wijze waarop zij in hun ogen tot de persoon herleidbaar zouden zijn in het boek. Zij voelden zich niet langer prettig in een samenwerking met werkneemster, waarna het ROC werkneemster verzocht om haar werkzaamheden tijdelijk neer te leggen.

Werkneemster weigerde dit. Het ROC besloot vervolgens de werkneemster te schorsen en de kantonrechter te verzoeken om de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsrelatie.

De kantonrechter wees het ontbindingsverzoek toe op de g-grond (verstoorde arbeidsrelatie). In hoger beroep bekrachtigde het Hof Arnhem-Leeuwarden deze beslissing. Uiteindelijk is de zaak bij de Hoge Raad terechtgekomen. De Hoge Raad vernietigde de beslissing van het Hof met onder meer het argument dat opnieuw beoordeeld diende te worden of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een inbreuk was op de vrijheid van meningsuiting van werkneemster.

Aan het Hof ’s-Hertogenbosch de taak om te beoordelen of daadwerkelijk sprake was van een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van werkneemster door de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. Allereerst oordeelde het hof dat de publicatie van het boek beschermd wordt door artikel 10 EVRM, het recht op vrijheid van meningsuiting. Er bestond daarnaast een causaal verband tussen het ontbindingsverzoek en de publicatie van het boek, wat een inmenging in de vrijheid van meningsuiting opleverde. Vervolgens is het de vraag of deze inmenging in de vrijheid van meningsuiting van werkneemster wel of niet toelaatbaar is.

Het hof komt tot de conclusie dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werkneemster een ontoelaatbare beperking op haar vrijheid van meningsuiting is. Het boek is volgens het hof een kritische, maar geen beledigende beschouwing en er is niet gebleken van onwaarheden.

Met het boek was bovendien een algemeen belang gediend en het boek is niet ‘provocerend’ te noemen. Gelet op het belang van de vrijheid van meningsuiting is het hof van oordeel dat het ROC zich meer had kunnen en moeten inspannen om de verhoudingen tussen werkneemster en de volgens het ROC gekwetste collega’s te normaliseren. Een bijzondere, baanbrekende uitspraak van het Hof. Het is afwachten in hoeverre de invloed van deze uitspraak zal doorsijpelen in de arbeidsrechtelijke praktijk.

ECLI:NL:GHSHE:2023:3713

Publicatiedatum 31/12/2023