5 NEWS_READING_TIME_ADD
De werkgever heeft wel onterecht loon ingehouden in verband met aflossing van de geldlening van de werknemer. Dat oordeelt de kantonrechter.
Partijen zijn het er over eens zijn dat het dienstverband is doorgelopen tot 17 juni 2023. Maar de werknemer heeft vanaf (medio) januari 2023 niet meer voor de werkgever gewerkt. Tussen partijen is dan ook in geschil of de werknemer toch recht heeft op (meer) loon over de periode vanaf januari 2023 tot 17 juni 2023.
Beoordeeld moet worden of het niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen ex artikel 7:628 BW.
De werkgever moet stellen en indien nodig bewijzen dat bij de werknemer de bereidheid ontbrak de bedongen arbeid te verrichten én dat het niet verrichten van de arbeid in redelijkheid voor zijn rekening komt.
De werkgever meent dat de werknemer vanaf januari 2023 geen recht had op (meer) loon. De werknemer is meermaals aangeboden vanaf januari 2023 zijn werkzaamheden op een geschikte locatie voort te zetten en werd ook ingeroosterd en geïnformeerd over zijn werktijden, maar de werknemer heeft aan herhaalde oproepen tot werkhervatting geen gehoor gegeven. De werknemer was dus vanaf januari 2023 niet meer beschikbaar om werkzaamheden te verrichten, aldus de werkgever.
De werknemer heeft daartegen opgeworpen dat het niet verrichten van de arbeid niet voor zijn rekening behoort te komen omdat hij door toedoen van de werkgever in de veronderstelling verkeerde dat hij op 28 december 2022 was ontslagen per 6 januari 2023. Daar komt bij dat de werkgever op 6 januari 2023 heeft aangegeven ‘laat je advocaat er maar een zaak van maken’ en hij daarna ook niet meer heeft gereageerd, aldus de werknemer.
De kantonrechter acht het niet onbegrijpelijk dat de werknemer op basis van het gesprek van 28 december 2022 in de veronderstelling verkeerde dat hij was ontslagen door de werkgever. Het door de werknemer overgelegde audiofragment van het gesprek op 28 december 2022 biedt voldoende aanknopingspunten voor die veronderstelling.
Tijdens dat gesprek heeft de leidinggevende van de werknemer onder meer het volgende gezegd:
”Misschien beter om afscheid te nemen van elkaar. (…) We hebben toch besloten, 6 januari kappen we ermee. (…) Voordat je weggaat moet het geld binnen zijn. (…) Op het moment dat werkgever en werknemer uit elkaar gaan, dan moet het gehele bedrag worden afgelost. (…) We gaan uit elkaar (…).”
Vervolgens heeft de werkgever bij de uitbetaling van het loon over de maand december 2022 een bedrag van € 1.464 ingehouden in verband met de (nagenoeg gehele) aflossing van de lening, zoals ook in het voornoemde gesprek is aangegeven. De werknemer heeft dit kunnen zien als een bevestiging van de juistheid van zijn veronderstelling.
Maar de werknemer mocht niet blijven vasthouden aan zijn aanname dat hij was ontslagen en na 6 januari 2023 niet meer op het werk hoefde te verschijnen, gelet op de feiten en omstandigheden die zich hierna hebben voorgedaan.
De werkgever heeft in het whatsappcontact tussen partijen op 6 januari 2023 desgevraagd expliciet aangegeven dat de werknemer niet is ontslagen (maar dat alleen zijn tewerkstelling in Amsterdam is gestopt), dat de werkgever verplicht is om de werknemer twee uren per week van werk te voorzien en dat de werknemer – als hij wil – twee uren per week kan werken.
Daarna heeft de werkgever de werknemer op 19 januari 2023 een brief gestuurd waarin staat dat de werknemer zonder geldige reden niet op het werk is verschenen, terwijl de werktijd en locatie vooraf met hem zijn overlegd en bevestigd.
Vervolgens heeft de werkgever de werknemer op 26 januari 2023 een whatsappbericht gestuurd waarin onder meer staat: “ik heb nog geen antwoord van jou op mijn voorstel om bij […] te werken voor 8 uur per dag. Wil je mij even bellen hierover“.
Omdat de werkgever daarop geen gehoor kreeg, heeft hij op 2 februari 2023 nogmaals een e-mail naar de werknemer gestuurd waarin hij wordt verzocht contact op te nemen.
Vast is komen te staan dat de werknemer in ieder geval een aantal van voornoemde berichten van de werkgever heeft ontvangen. Het is dan ook onbegrijpelijk waarom de werknemer niet (meer) op deze berichten en het aanbod van de werkgever heeft gereageerd. Daarvoor heeft de werknemer ter zitting ook geen (goede) reden gegeven.
Dat de werknemer was aangeslagen door de gehele gang van zaken en in het bijzonder door de inhouding van loon in december 2022 wil de kantonrechter wel aannemen, maar dat betekent niet dat hij niet meer op de berichten van de werkgever hoefde te reageren, laat staan dat hij nu – toch – met succes loon over de periode vanaf januari 2023 kan vorderen.
De conclusie is dat, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, het niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de de werknemer komt. De werknemer heeft dus geen recht op (meer) loon vanaf januari 2023 tot het einde van zijn dienstverband. De vordering op dit onderdeel wordt daarom afgewezen.
De werknemer heeft na het gesprek op 28 december 2022 een werkloosheidsuitkering aangevraagd bij het UWV. De werknemer heeft de uitkering in maart en april 2023 ontvangen. Maar omdat achteraf is gebleken dat de werkgever de werknemer niet heeft ontslagen, heeft de werknemer de werkloosheidsuitkering ad € 1.659,09 aan het UWV moeten terugbetalen. Anders dan de werknemer meent, valt niet in te zien dat de werkgever dit bedrag aan de werknemer moet vergoeden.
De werknemer mocht na 6 januari 2023 niet blijven vasthouden aan zijn veronderstelling dat hij was ontslagen en had hij op het werkaanbod en de berichten van de werkgever in januari 2023 moeten ingaan. Op dat moment had de werknemer dus al moeten begrijpen dat hij nog in dienst was bij de werkgever en had hij de aanvraag van zijn werkloosheidsuitkering moeten intrekken. Nu de werknemer geen actie heeft ondernomen, komen de gevolgen daarvan voor zijn eigen rekening.
Vaststaat dat de werkgever bij de uitbetaling van het loon over de maand december 2022 een bedrag van € 1.646 heeft ingehouden in verband met de aflossing van de lening. Buiten kijf staat dat deze handelwijze niet door de beugel kan en is verricht in strijd met hetgeen tussen partijen in de overeenkomst van geldlening is afgesproken. De werknemer zou maandelijks slechts € 150 aflossen. Dit bedrag verrekende de werkgever maandelijks met het loon.
De werkgever heeft dus ten onrechte een bedrag van € 1.496,60 ingehouden op het loon waardoor er in december 2022 te weinig loon aan de werknemer is uitbetaald. Hierdoor is de werknemer naar eigen zeggen in de (financiële) problemen gekomen omdat hij zijn vaste lasten niet kon betalen.
De werkgever moet daarom een bedrag van € 1.496,60 aan achterstallig loon over de maand december 2022 te betalen aan de werknemer. Hierover is ook de wettelijke verhoging en rente verschuldigd.
De werkgever heeft in dit verband overigens wel terecht gesteld dat de lening inmiddels, namelijk in januari 2024, volledig afgelost had moeten zijn. Anders dan de werkgever meent, staat dit echter niet aan toewijzing van de vordering in de weg.