9.7 / 10 183 reviews 

Let op bij voorwaardelijke afspraken over de compensatie van de transitievergoeding na langdurige arbeidsongeschiktheid (bron: mr. S. Heijtlager)

4 NEWS_READING_TIME_ADD

Terug

Werknemer geen belanghebbende bij afwijzing compensatie transitievergoeding na langdurige arbeidsongeschiktheid

Vooraf is het niet altijd zeker of de transitievergoeding die je als werkgever moet betalen bij een beëindiging na langdurige arbeidsongeschiktheid ook daadwerkelijk wordt gecompenseerd door het UWV. Om die reden wordt er (door werkgevers) soms voor gekozen om in een beëindigingsovereenkomst een bepaling op te nemen dat de transitievergoeding alleen wordt uitbetaald onder de voorwaarde dat deze ook daadwerkelijk wordt gecompenseerd door het UWV.

Voor werkgevers biedt deze bepaling de zekerheid dat zij de transitievergoeding terug kunnen claimen van een werknemer als het UWV de compensatieaanvraag (gedeeltelijk) afwijst. Voor de werknemer brengt een dergelijke voorwaardelijke bepaling natuurlijk een risico met zich mee: als de aanvraag tot compensatie van de transitievergoeding wordt afgewezen, dan moet de transitievergoeding terugbetaald worden.

De werknemer in deze zaak hoopte via de bestuursrechtelijke weg onder de terugbetalingsverplichting (vanwege de afwijzing van de compensatie) uit de gesloten vaststellingsovereenkomst uit te komen. De werknemer heeft bezwaar aangetekend tegen de afwijzing van de compensatie. Het UWV besliste (helaas voor de werknemer) negatief op het bezwaar van de werknemer: volgens het UWV is de werknemer geen belanghebbende bij het afwijzingsbesluit.

In beroep vindt de werknemer wel gehoor: de bestuursrechter oordeelt namelijk dat de afwijzing van de compensatie de rechtspositie van de werknemer wél direct raakt (en dat werknemer dus belanghebbende is). Daarbij acht de rechtbank het niet doorslaggevend wat werknemer en werkgever contractueel hebben afgesproken. De werknemer is ontvankelijk in zijn beroep.

Het UWV legt vervolgens aan de Centrale Raad van Beroep de vraag voor of een werknemer als belanghebbende is aan te merken bij een compensatiebesluit. De Centrale Raad maakt korte metten met de uitspraak van de rechtbank:

“(…)
De vraag of een werknemer als belanghebbende is aan te merken bij een compensatiebesluit is in een eerdere zaak bij de Raad aan de orde gekomen. Zoals de Raad in de uitspraak in die zaak heeft overwogen, vloeit uit de aard van het besluit over de compensatie voort dat een werknemer niet als (categoraal) belanghebbende bij een dergelijk besluit kan worden aangemerkt. De regeling van de vergoeding uit artikel 7:673e, eerste lid, van het BW richt zich uitsluitend tot de werkgever. Voor zover de werknemer al door een beslissing van het Uwv over de compensatie zou worden getroffen, is dat in een indirect verband. 

In dit geval is dat niet anders. Betrokkene wordt weliswaar financieel getroffen door het compensatiebesluit, omdat zij als gevolg van dit besluit de aan haar betaalde vergoeding aan de werkgever heeft moeten terugbetalen. Dat betekent echter niet dat zij een rechtstreeks belang heeft bij het compensatiebesluit. De terugbetaling is immers het gevolg van een afspraak in de beëindigingsovereenkomst tussen betrokkene en de werkgever, zodat betrokkene alleen een afgeleid belang heeft via de contractuele relatie met de werkgever. Van een eigen, zelfstandig (vermogens)belang van betrokkene bij het compensatiebesluit, los van die contractuele relatie, is in dit geval geen sprake. Het belang van betrokkene is dan ook niet rechtstreeks bij het compensatiebesluit getrokken.
(…)”

Kortom: werknemers die in een beëindigingsovereenkomst na langdurige arbeidsongeschiktheid akkoord gaan met een voorwaardelijke betaling van de transitievergoeding (lees: dat de transitievergoeding terugbetaald moet worden als het UWV de compensatie – al dan niet gedeeltelijk – afwijst), lopen een groot risico.

Voor werknemers geldt als tip dat zij voorzichtig moeten zijn als de werkgever een voorwaardelijke betaling wil afspreken. Als de werknemer met een voorwaardelijke betaling instemt, dan kan de werknemer in de overeenkomst laten opnemen dat hij (i) het recht heeft om aanvullende stukken in te dienen bij de aanvraag tot compensatie, en (ii) dat hij de werkgever mag opdragen bezwaar en beroep in te stellen tegen een eventuele afwijzing van de compensatie.

Ook voor werkgevers kan het prettig zijn om dergelijke afspraken met een werknemer te maken, omdat dit in sommige gevallen de werknemer misschien kan overtuigen om akkoord te gaan met een vaststellingsovereenkomst.

Een bepaling zou bijvoorbeeld als volgt kunnen luiden:

“(…)
Partijen spreken een ontbindende voorwaarde af. Deze ontbindende voorwaarde houdt in dat Werknemer de betaalde transitievergoeding (als genoemd in artikel [X]) terugbetaalt aan Werkgever, indien het UWV besluit dat Werkgever geen of minder compensatie van de betaalde transitievergoeding ontvangt. Terugbetaling vindt plaats binnen 7 dagen nadat Werknemer bekend is geworden met het besluit waarin het UWV de compensatie afwijst. Partijen spreken daarbij af dat Werkgever verplicht is op eerste verzoek van Werknemer rechtsmiddelen aan te wenden tegen de afwijzende beslissing van het UWV. Werkgever en Werknemer formuleren in onderling overleg de gronden van het bezwaar en beroep. Indien en voor zover Werkgever nalaat tijdig (binnen de termijnen) aan de hiervoor genoemde verplichtingen te voldoen, dan vervalt de terugbetalingsverplichting van Werknemer.
(…)”

Overigens zou het vanuit efficiencyoverwegingen goed zijn als een werkgever en werknemer een verzoek tot vooroverleg bij het UWV kunnen doen omtrent het recht op compensatie. Deze mogelijkheid is er in sommige gevallen bijvoorbeeld wel bij de Belastingdienst of bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Vooroverleg met het UWV zou m.i. ook vooraf duidelijkheid over de plicht tot beëindiging geven (overeenkomstig de arresten van de Hoge Raad (Xella, ESD-Sic en Ammeraal). Helaas is in dit soort zaken geen bestuurlijk vooroverleg mogelijk.

Publicatiedatum 27/02/2023