9.7 / 10 77 reviews 

Einde onderneming – tijdelijk contract zonder tussentijds opzegbeding – doorbetaling loon?

4 NEWS_READING_TIME_ADD

Terug

Wat is de situatie?

De werkneemster is op 5 augustus 2020 in dienst getreden van de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van een jaar, dus tot 5 augustus 2021. De arbeidsovereenkomst is schriftelijk aangegaan en bepaalt onder meer dat werkgever en werknemer de arbeidsovereenkomst niet tussentijds kunnen opzeggen. De werkneemster vervulde bij de werkgever de functie van algemeen medewerkster en zij ontving een salaris van € 886,74 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) op basis van 20 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst was de Horeca-cao van toepassing.

Arbeidsovereenkomst eindigt

In een brief van 26 januari 2021 heeft de werkgever aan de werkneemster geschreven dat haar arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de wettelijke aanzegtermijn per 28 februari 2021 zal eindigen. De werkgever (een eetcafé en ijssalon) geeft aan door diverse oorzaken te hebben besloten zijn onderneming eind januari 2021 te sluiten. De werkneemster hoeft in de maand februari 2021 niet meer te verschijnen op het werk. Deze vrije dagen zal de werkgever verrekenen met het eventuele tegoed aan snipper- en/of vakantiedagen. Eind februari 2021 ontvangt de werkneemster samen met haar laatste salaris, de afrekening van vakantiegeld. De onderneming is per 1 februari 2021 beëindigd en is uitgeschreven uit het handelsregister per 10 februari 2021.

Geen vaststellingsovereenkomst

Partijen hebben na de brief van 26 januari 2021 met elkaar gesproken over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. De werkneemster stemde daar op zich mee in, maar met een voorbehoud, in die zin dat haar recht op een WW-uitkering zoveel mogelijk gewaarborgd zou worden. Na juridisch advies te hebben ingewonnen kwam de werkneemster tot de conclusie dat er geen mogelijkheid was om een vaststellingsovereenkomst te sluiten met de werkgever omdat er geen tussentijdse opzegging mogelijk was en er voor de werkneemster geen aanspraak op een WW-uitkering zou zijn na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Er is uiteindelijk geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen tussen partijen.

Loon over maart 2021

De onderneming van de werkgever is per 1 februari 2021 beëindigd en is uitgeschreven uit het handelsregister per 10 februari 2021. De werkgever heeft de werkneemster in februari 2021 een eindafrekening gestuurd. Hij heeft na correspondentie met de toenmalige gemachtigde van de werkneemster ook het loon over de maand maart 2021 betaald. De werkneemster is met ingang van 1 juni 2021 bij een derde werkzaam gedurende 30 uren per week.

Werkneemster vordert loon

De werkneemster vordert doorbetaling van loon vanaf 1 april 2021 tot en met 5 augustus 2021, een bedrag van € 3.954,29 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente en wettelijke verhoging van 50%, een transitievergoeding van € 319,23 bruto, vakantie-uren van € 393,18 bruto, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De werkneemster stelt dat de arbeidsovereenkomst pas is geëindigd op 5 augustus 2021, een beëindiging met wederzijds goedvinden is er immers niet geweest, en de werkgever is op grond van de arbeidsovereenkomst en de van toepassing zijnde cao de gevorderde bedragen aan de werkneemster verschuldigd.

Werkgever: slechte financiële situatie

De werkgever heeft het volgende verweer gevoerd. De werkgever heeft de onderneming moeten beëindigen onder meer door de gevolgen van de corona-pandemie. De werkgever heeft met zijn laatste privégelden het loon van de maand maart 2021 aan de werkneemster betaald. De werkgever heeft na de beëindiging van de onderneming eerst een uitkering gehad en hij werkt zelf weer in de horeca vanaf augustus 2021. Zijn financiële situatie is niet rooskleurig. Hij heeft geprobeerd de arbeidsovereenkomst te beëindigen met wederzijds goedvinden en door het doen van een aanvraag voor ontslag bij het UWV, maar de arbeidsovereenkomst is niet eerder geëindigd dan 5 augustus 2021.

Inhoudsloze arbeidsovereenkomst

Tussen partijen staat vast dat de onderneming van de werkgever moest sluiten per 1 februari 2021. De arbeidsovereenkomst was sinds 1 februari 2021 inhoudsloos in die zin dat de onderneming was beëindigd, de werkneemster dus niet meer werd opgeroepen en zij sindsdien ook niet meer heeft gewerkt bij de werkgever. Vast staat dat de werkneemster met ingang van 1 juni 2021 elders in dienst is getreden voor 30 uur per week. De werkneemster heeft gelijk dat de arbeidsovereenkomst pas op 5 augustus 2021 formeel is beëindigd en dat zij dus in principe recht heeft op loon tot die datum. De kantonrechter moet alleen een inschatting maken wat de bodemrechter in dit geval zal beslissen en de kantonrechter houdt er als voorzieningenrechter rekening mee dat de loonvordering c.a. door de bodemrechter wordt gematigd op grond van de omstandigheden.

Geen aanspraak op loon door nieuwe baan

Bij zo’n inhoudsloze arbeidsovereenkomst vanaf 1 februari 2021 vanwege de corona-pandemie, waarbij partijen het er in principe over eens zijn dat deze tot een einde moet komen maar de werkneemster dit niet aandurft vanwege mogelijke gevolgen voor haar recht op WW-uitkering, kan het werkzaam zijn elders, bij de derde, worden aangemerkt als schadebeperkend voor de werkgever. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de werkneemster naast haar inkomsten verdiend bij de derde ook aanspraak zou hebben op het loon uit haar inhoudsloze arbeidsovereenkomst bij de werkgever. De gevorderde wettelijke verhoging van 50 procent acht de kantonrechter op voorhand niet passend gelet op de omstandigheden en dat geldt ook voor de vordering voor verlofuren vanaf 1 februari 2021, gelet op het feit dat de werkneemster vanaf februari 2021 niet meer kon en hoefde te werken bij de werkgever.

Loon april en mei 2021

Wat voor de kantonrechter in kort geding wel voldoende vaststaat, is dat de bodemrechter de werkgever, ondanks de financiële situatie van de werkgever, zal veroordelen tot betaling van het loon over de maanden april en mei 2021, te vermeerderen met rente, de transitievergoeding en (buiten-)gerechtelijke kosten. De arbeidsovereenkomst is immers pas geëindigd op 5 augustus 2021 met als gevolg dat de transitievergoeding volgens de wet is verschuldigd. Daarnaast heeft de werkneemster in de maanden april en mei 2021 geen inkomsten van derden ontvangen.

Deze inschatting komt neer op toewijzing in kort geding van een bedrag van:

  • € 1.915,34 bruto aan loon voor de maanden april en mei 2021 inclusief 8% vakantietoeslag, te vermeerderen met wettelijke rente;
  • een bedrag van € 319,23 bruto voor transitievergoeding; en
  • een bedrag voor buitengerechtelijke kosten van € 335,19 (gerelateerd aan de toegewezen bedragen).

De werkgever moet deze bedragen aan de werkneemster betalen (bron: SV).

ECLI:NL:RBOVE:2021:4063

Heeft u een vraag over dit onderwerp of een andere arbeidsrechtelijke vraag/ontslagkwestie, neem dan contact op met onze arbeidsrechtjuristen per mail via info@ontslag-center.nl of bel naar kantoor via 043 - 720 09 20.

Publicatiedatum 15/11/2021