9.7 / 10 121 reviews 

KvK-inschrijving en LinkedIn-vermelding onvoldoende voor ontslag op staande voet Register Accountant (bron: AV)

7 NEWS_READING_TIME_ADD

Terug

Het kantoor verleent diensten op het gebied van accountancy en administratie en is een relatief kleine organisatie, waar twaalf medewerkers in dienst zijn. De RA was (niet als registeraccountant) van 1 januari 2021 tot 29 augustus 2022 in dienst bij het kantoor op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een maandsalaris van € 4.200,00 bruto. In de arbeidsovereenkomst was een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen.

Op 4 november 2020 was tussen beide partijen ook een studieovereenkomst tot stand gekomen, waarin een terugbetalingsregeling staat vermeld. De studieovereenkomst heeft enerzijds betrekking op de overname van de studieschuld door het kantoor die de werknemer had bij zijn voormalige werkgever, ter hoogte van € 31.159,00 en anderzijds voor de tweede studie waar hij in januari 2021 mee is gestart.

Opzegging

Op 16 augustus 2022 heeft de RA in een gesprek met een bestuurder van het kantoor zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. Tijdens dat gesprek is afgesproken dat het dienstverband op 31 augustus 2022 zou eindigen. Tijdens een gesprek op 23 augustus 2022 heeft een bestuurder van het kantoor aan de RA een voorstel gedaan over de terugbetaling van zijn studiekosten. De RA heeft daarop laten weten ervan uit te zijn gegaan dat zijn studiekosten zouden worden kwijtgescholden en liet weten dat hij wilde terugkomen op zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst. Op 24 augustus 2022 heeft hij zich ziekgemeld.

Ontslag op staande voet

Per brief van 26 augustus 2022 heeft het accountantskantoor aan de RA zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst per 31 augustus 2022 bevestigd. In diezelfde brief deelt het kantoor kortgezegd aan de RA mee dat zij vermoedt dat hij een concurrerende onderneming heeft opgericht en daarmee concurrerende werkzaamheden verricht en dat dit vermoedelijk een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. De werkgever roept de accountant op voor een gesprek op 29 augustus 2022 om hem daarover te kunnen horen. De RA laat weten niet in staat te zijn bij het gesprek aanwezig te zijn. Het kantoor heeft de RA bij brief van 29 augustus 2022 op staande voet ontslagen en heeft conservatoir derdenbeslag gelegd op een bankrekening van de accountant.

Rechtszaak

Bij de rechtbank Midden-Nederland vorderen partijen onder meer over en weer een schadevergoeding van elkaar en vordert het accountantskantoor terugbetaling van € 41.779,31 uit hoofde van de studieovereenkomst.

In de geanonimiseerde uitspraak geldt het accountantskantoor als [verzoekster] en de RA als [verweerder]. Aan het ontslag op staande voet zijn, zo blijkt uit de ontslagbrief, de volgende dringende redenen ten grondslag gelegd:

“(…)

  1. Jij hebt op 1 februari jl.. een eenmanszaak opgericht genaamd [onderneming 1] , welke zich bezighoudt met “het verrichten van accountancy en financiële diensten ”. Je hebt ons niet over (het voornemen van) deze oprichting geïnformeerd, terwijl de werkzaamheden van deze eenmanszaak volgens de door jouzelf opgegeven SBI-codes bij het handelsregister (69201 Registeraccountants, en: 69204 Belastingconsulenten) en doelomschrijving (“Het verrichten van accountancy en financiële diensten ”) direct concurrerend zijn met onze dienstverlening.
  2. Jij bent volgens jouw Linkedin-profiel sinds januari 2022 werkzaam als zzp-er via jouw eenmanszaak. Ook over (het voornemen van) deze werkzaamheden heb je ons niet geïnformeerd, terwijl deze volgens de hiervoor genoemde SBI-codes en doelomschrijving zouden moeten concurreren met onze dienstverlening. Wij stellen ook vast dat jij op eigen verzoek sinds 1 januari 2022 niet langer fulltime (40 uur per week), maar nog slechts parttime (32 uur per week) voor [verzoekster] hebt gewerkt. Sindsdien had jij dus meer tijd voor de op- en inrichting van jouw concurrerende eenmanszaak en de zzp-opdrachten die jij sinds januari 2022 stelt uit te voeren, een omstandigheid die het verzoek in een ander daglicht plaatst dan hoe jij die ons hebt voorgesteld.
  3. Jij blijkt sinds augustus 2022 werkzaamheden uit te voeren als [functie 2] bij [onderneming 2] . Hierover heb je ons opnieuw niet geïnformeerd, hetgeen wij niet kunnen plaatsen bij de suggestie van jouw advocaat dat deze werkzaamheden onze belangen niet zouden schaden. Tenslotte liep jouw arbeidsovereenkomst bij ons tot 31 augustus 2022 door en meldde jij jezelf ziek voor het verrichten van werkzaamheden. Hier komt bij dat de functietitel wel degelijk lijkt te duiden op werkzaamheden die ten minste vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die wij aanbieden. Opvallend vinden wij ook dat namens [onderneming 2] vandaag telefonisch is gesuggereerd dat zij geen meneer [verweerder] kennen.. Die verklaring past niet bij jouw Linkedin-profiel en de zienswijze die jouw advocaat vandaag toezond en wekt argwaan over de aard van jouw werkzaamheden daar, eens te meer in het licht van hetgeen hiervoor is opgemerkt.
  4. Jij blijkt jezelf niet als registeraccountant te hebben laten uitschrijven. Dit valt niet te rijmen met de namens jou gegeven zienswijze dat jij “geen accountancy werkzaamheden” zou verrichten, eens te meer in het licht van de hiervoor genoemde en met onze dienstverlening concurrerende SBI codes en doelomschrijving van jouw eenmanszaak en functie als [functie 2] bij [onderneming 2] .
  5. Ondanks verschillende gesprekken, waaronder de individuele gesprekken die jij op 16 augustus 2022 met ons drieën hebt gevoerd, heb jij het voorgaande voor ons verborgen gehouden. Bovendien heb jij vragen van ons over jouw toekomst niet naar waarheid, althans onvolledig, beantwoord.
  6. Met jouw hiervoor omschreven handelwijze, waaronder mede begrepen het feit dat jij ons onjuist, althans onvolledig, hebt geïnformeerd, ben jij ons vertrouwen onwaardig geworden. (…)”

Zowel die gedragingen samen als elke gedraging op zichzelf worden door het accountantskantoor als dringende reden beschouwd, zo volgt uit de ontslagbrief.

Dringende reden?

Naar het oordeel van de kantonrechter is geen sprake van een dringende reden, wat hierna wordt uitgelegd. Allereerst staat vast dat de RA zijn arbeidsovereenkomst met het accountantskantoor op 16 augustus 2022 heeft opgezegd en deze op 31 augustus 2022 zou eindigen. Weliswaar heeft hij op 23 of 24 augustus 2022 op die opzegging terug willen komen, maar het accountantskantoor heeft aan de RA te kennen gegeven dat hij niet van een eenzijdige opzegging kan terugkomen.

De RA heeft het daarbij gelaten en ook in deze procedure is het terugkomen op de opzegging niet langer aan de orde. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst op het moment dat het accountantskantoor het ontslag op staande voet heeft gegeven nog maar twee dagen zou voortduren. Het is dan ook aan het accountantskantoor om aan te tonen dat van haar niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst nog twee dagen voort te laten duren.

Ten aanzien van de dringende redenen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd is het volgende – op basis van de stukken en wat tijdens de zitting naar voren is gekomen – vast komen te staan:

  • De RA heeft zich per 1 februari 2022 bij de KvK ingeschreven met een eenmanszaak, waarbij vermeld stond dat die eenmanszaak zich richt op “het verrichten van accountancy en financiële diensten ”. De RA heeft zijn LinkedIn-profiel eveneens daarop aangepast;
  • De RA heeft op 12 augustus 2022 werkzaamheden verricht bij [onderneming 2] . Die werkzaamheden verrichtte hij op zijn vrije dag. De RA heeft bij [onderneming 2] lichte controlling werkzaamheden verricht die voornamelijk gericht waren op het vastgoed. [onderneming 2] is geen klant van het accountantskantoor;
  • De RA heeft zich niet uitgeschreven als registeraccountant.

Gelet op bovenstaande had het accountantskantoor geen dringende reden om, twee dagen voor het einde van het dienstverband, over te gaan tot ontslag op staande voet. De inschrijving bij de KvK en de vermelding op LinkedIn zijn op zichzelf niet aan te merken als een dringende reden. Wel is de kantonrechter van oordeel dat deze inschrijving bij de Kvk van de RA, zonder dat hij het accountantskantoor daarover had geïnformeerd, niet netjes is en het voorstelbaar is dat dit iets met het vertrouwen heeft gedaan in de werknemer. Datzelfde geldt voor de vermelding op LinkedIn. Dat de RA met zijn eenmanszaak werkzaamheden heeft verricht vóór 12 augustus 2022 blijkt echter nergens uit en is betwist door de accountant. Deze stelling heeft het accountantskantoor daarom onvoldoende gemotiveerd. Evenmin is vast komen te staan dat de RA tijdens de periode dat hij ziekgemeld was bij het accountantskantoor werkzaamheden heeft verricht bij [onderneming 2]. Verder geldt dat het feit dat de accountant nog staat ingeschreven als registeraccountant, niet in strijd is met enig voorschrift. De voornoemde vermeldingen zijn dan ook niet aan te merken als een dringende reden.

Nevenwerkzaamhedenbeding

Ten aanzien van de werkzaamheden die de RA op 12 augustus 2022 bij [onderneming 2] heeft verricht toen hij nog in dienst was bij het accountantskantoor, geldt dat niet is gebleken dat die werkzaamheden onverenigbaar waren met zijn functie bij het accountantskantoor. De RA werkte 32 uur per week bij het accountantskantoor en heeft de werkzaamheden bij [onderneming 2] verricht op zijn vrije dag. Daarnaast staat vast dat [onderneming 2] geen klant is van het accountantskantoor. De RA heeft ook aangevoerd, met verwijzing naar een bevestiging daarvan van [onderneming 2] , dat de werkzaamheden die hij bij [onderneming 2] heeft uitgevoerd niet concurrerend zijn met die van een externe accountant.

De werkzaamheden die hij op 12 augustus 2022 heeft uitgevoerd betroffen lichte controlling werkzaamheden die gericht waren op voornamelijk vastgoed. Door het accountantskantoor is tijdens de zitting gesteld dat dergelijke werkzaamheden wel op een andere afdeling van haar bedrijf verricht zouden kunnen worden en daarmee de door de RA uitgevoerde werkzaamheden onverenigbaar zouden zijn. Het enkele feit dat op een andere afdeling mogelijk soortgelijke werkzaamheden kunnen worden verricht, brengt echter nog niet met zich mee dat het verrichten van die werkzaamheden door de RA, gedurende één dag en in zijn vrije tijd, onverenigbaar zijn met zijn functie bij het accountantskantoor.

Van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding is dan ook geen sprake, nog los van de vraag of het nevenwerkzaamhedenbeding per 1 augustus 2022 nog wel geldig was.

Geen dringende reden

Het hiervoor beschreven handelen van de RA is niet zo ernstig dat hij daarmee aan het accountantskantoor een dringende reden heeft gegeven om tot ontslag op staande voet over te gaan. Zeker niet twee dagen voordat het dienstverband al zou eindigen. Ontslag op staande voet is immers een uiterst redmiddel. Van het accountantskantoor kon dan ook – anders dan dat zij meent – gevergd worden de arbeidsovereenkomst nog tot 31 augustus 2022 te laten voortduren.

Het accountantskantoor heeft ook niet kunnen verduidelijken wat nou precies heeft gemaakt dat dit niet van haar gevergd kon worden, behalve haar veronderstelling op dat moment dat de RA zich bezig hield met concurrerende (neven)werkzaamheden en zij in onzekerheid verkeerde over de status van de opzegging van de RA. Ook al verkeerde het accountantskantoor destijds in onzekerheid over de mogelijke einddatum van de arbeidsovereenkomst, dat maakt de uitkomst niet anders. Zelfs indien het accountantskantoor er terecht van zou zijn uitgegaan dat het dienstverband nog langer dan twee dagen zou hebben voortgeduurd, geldt dat geen sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet kon rechtvaardigen. Ontslag op staande voet is een ultimum remedium, zodat het accountantskantoor ook in die situatie eerst andere minder verstrekkende arbeidsrechtelijke sancties had kunnen en moeten benutten, zoals het geven van een officiële waarschuwing.

Dat betekent dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat het niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen op grond van de artikelen 7:677 en 7:678 BW. Het ontslag is dan ook onregelmatig gegeven.

Vergoedingen

De kantonrechter bepaalt dat het accountantskantoor de RA € 4.536,00 bruto aan gefixeerde schadevergoeding moet betalen en een transitievergoeding van € 2.514,00 bruto.

De kantonrechter gaat vervolgens onder meer nog uitgebreid in op het studiekostenbeding en komt tot de slotsom dat de RA zijn voormalige werkgever nog € 23.627,- moet terugbetalen. 

Publicatiedatum 24/01/2023